De bekende schrijver van de Narnia boeken C.S. Lewis heeft eens de volgende uitspraak gedaan: ‘God is good and terrifying at the same time.’ (God is goed en angstaanjagend tegelijkertijd).

Lewis beschrijft hier een paradox, een schijnbare tegenstelling. God is vriendelijk en liefdevol, maar Hij is ook oppermachtig en ontzagwekkend. Die omschrijvingen lijken elkaar tegen te spreken, maar toch zijn ze beide waar. De vermeende tegenstrijdigheid ontstaat door onze manier van redeneren: een paradox gaat in tegen ons gevoel voor logica.

De Bijbel is vol van dit soort paradoxen: begrippen die met elkaar in tegenspraak lijken. Denk bijvoorbeeld maar aan genade en heiligheid; geloof en werken; strijden en rusten; het feit dat wij volmaakt zijn en toch nog onvolmaakt; het Koninkrijk van God dat er al is en toch ook weer niet. En wat denk je van uitspraken als: ‘Als je zwak bent, dan ben je sterk.’ ‘Als je je leven wilt behouden, dan zul je het verliezen.’ ‘Als je wilt ontvangen, dan moet je geven.’ ‘Als je sterft, dan zul je leven.’ ‘Vele eersten zullen de laatsten zijn.’

Nog meer schijnbare verwarring: in de Bijbel worden we zowel leden van zijn lichaam, schapen van zijn kudde, soldaten in zijn leger, kinderen van zijn gezin, vrienden rondom zijn tafel, maar ook slaven van onze Heer genoemd. Dat klinkt toch helemaal niet logisch? Wat zijn we nu? Dat is het bijzondere van Gods Woord, we zijn het allemaal, altijd en tegelijkertijd!

Veel christenen weten zich geen raad met die paradoxen. Waarom? Omdat we God willen begrijpen, met ons verstand. Wij zijn beïnvloed door het Griekse denken. In deze manier van denken zijn kennis, wetenschap en logica belangrijk. Het past niet in het Griekse denken dat God zowel goed als angstaanjagend kan zijn. Er zit dan niets anders op dan voor een van twee te kiezen en die keuze te onderbouwen met logische en duidelijke bewijzen. Daarmee komen mensen met hun mening tegenover elkaar te staan en willen ze de ander overtuigen van hun gelijk.

Het Joodse denken zit anders in elkaar. Joden proberen niet precies vast te stellen hoe God ‘in elkaar zit’. Een Jood kan heel goed leven met paradoxen en voelt zich niet genoodzaakt om te kiezen voor een bepaalde stelling. In deze manier van denken zijn meerdere opties mogelijk.

Een tijdje terug is er een mooi boek verschenen met de titel ‘De Uitnodiging’ van Paul Young. Het boek gaat over een man, genaamd Mack, die zijn dochtertje verliest. Op een wonderlijke manier belandt hij in dezelfde hut waar ook zijn kind is vermoord. Daar wordt hij geconfronteerd met degene op wie hij het meest boos is: God. Mack maakt in het verhaal dan nader kennis met God, die geportretteerd wordt als een dikke Afro-Amerikaanse vrouw (God de Vader), een kleine Aziatische vrouw (de heilige Geest) en een timmerman (Jezus).

Het boek schetst een fris en nieuw beeld van God, nogal botsend met de heersende traditie. Het is even wennen om te lezen over een God die van koekjes bakken houdt en plezier beleeft aan vissen en tuinieren, maar juist deze originele invalshoek zorgt ervoor dat het boek al zoveel mensen heeft geraakt. Het is prachtig om te lezen hoe de drie leden van de ‘Drie-eenheid’ samen veel lachen en intens van elkaar houden.

Ik denk dat dit boek een eyeopener is voor mensen die God alleen maar zien als een strenge, boze, straffende God. Dan kan het een verademing zijn om over de andere kant van God te horen: dat Hij een God van genade en liefde is, dat zijn glimlach op je leven rust. Maar het zou een te eenzijdige benadering zijn als God alleen maar als een grote, lieve Teddybeer wordt voorgesteld.

Paul Young doet zelf een hele mooie uitspraak in zijn boek: ‘God is zoveel groter dan het doosje waarin Hij zo vaak wordt gestopt.’ En dat is een belangrijke waarheid.

Charles H. Spurgeon, een bekend prediker uit de 19de eeuw schreef hierover: ‘Ik heb nooit geloofd in de Jezus Christus van sommige mensen, want de Christus in wie zij geloven is uitsluitend liefhebbend en vriendelijk, terwijl ik geloof dat er nooit een volmaakter exemplaar van de mensheid is geweest dan de Heiland, zelfs in zijn gestrengheid; en dezelfde lippen die verklaarden dat Hij het geknakte riet niet zou verbreken, uitten de meest vreselijke verwensingen aan het adres van de Farizeeën.’

  Het christendom is juist zo uniek omdat de volkomen heilige God tegelijkertijd volkomen liefdevol is. God is volmaakt en ver boven ons verheven, zijn heiligheid schept een oneindige afstand tussen God en de mens. Maar omdat Hij in de persoon van Jezus bereid was naar ons toe te komen, is Hij door zijn liefde ook oneindig dicht bij ons. (Uit ‘Buitensporige Genade‘)