Ontmoeting met God

Uiteindelijk is er dan na twintig lange jaren van angst om controle te verliezen en los te laten het moment van de dreigende ontmoeting tussen Jakob en Esau. Jakob is doodsbang.
‘Toen de boden bij Jakob terugkwamen, meldden ze hem: ‘We zijn bij uw broer Esau geweest, en hij komt u tegemoet, met vierhonderd man. Jakob schrok hevig, het angstzweet brak hem uit.’ Genesis 32:7-8

Wat kan hij doen tegen zo’n overmacht? Jakob besluit nog eenmaal op zichzelf te vertrouwen. Hij neemt een groot deel van zijn bezit, tweehonderd geiten, twintig bokken, tweehonderd ooien, twintig rammen, dertig kamelen, veertig koeien, tien stieren en dertig ezels om Esau voor zich te winnen. Hij probeert opnieuw de situatie naar zijn hand te zetten en Esau te manipuleren. Maar hij is er niet zeker van dat het deze keer gaat lukken.

Dan doet hij die nacht iets aparts. Hij neemt zijn beide vrouwen, zijn twee bijvrouwen en zijn elf zonen en al zijn bezittingen en brengt ze naar de overzijde van de rivier. Eindelijk beseft hij: ik moet alles wat ik heb loslaten, vaarwel zeggen.

Jakob heeft een stap gezet, hij heeft voor zijn idee alles losgelaten, maar God wil nog wat verder met hem gaan, een laagje dieper. God wil dat hij zichzelf loslaat. God wil dat Jakob sterft aan zichzelf. En daartoe valt een engel van God hem aan. Jakob heeft geen keus, hij moet wel terugvechten. Ze worstelen de hele nacht door en Jakob laat zich niet overwinnen. Tenslotte slaat de engel hem op de heup, waardoor hij kreupel wordt. Op dat moment wordt niet alleen zijn lichamelijke kracht gebroken, maar er knapt ook iets van binnen, in zijn ziel. Hij geeft eindelijk toe dat hij het op eigen kracht niet redt: Jakob is een verbroken man.

De engel wil dan de worsteling stoppen, maar Jakob zegt: Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent’. Genesis 32:27

Jakob weet dat de engel sterker is dan hij, maar ook dat zijn redding van deze ontmoeting afhangt. Hij beseft nu pas echt dat hij God nodig heeft om gezegend te worden. ‘Goed’, zegt de engel, ‘Ik zal je zegenen. Hoe heet je?’ Oftewel: ‘Wat is je identiteit, wie ben je?’
Waarom vraagt hij dat zo specifiek? Hij wil hem confronteren met de wortel van zijn probleem.
‘Jakob’, antwoordt hij dan. Jakob wordt door het uitspreken van zijn naam herinnerd aan zijn verleden. Hij was altijd de ‘doe-het-zelver’, degene die alles zelf wel op zou lossen, degene die vast wilde houden.

Maar nu is er iets veranderd. Jakob houdt nog steeds vast, maar hij heeft voor het eerst begrepen hoe het zit. Hij laat de engel niet gaan, maar dat is uit pure wanhoop. Hij beseft dat hij alleen nog God heeft. Hij geeft zich eindelijk over aan de genade van God.
Op dit moment heeft God veertig jaar gewacht! Vanaf dat moment wandelde Jakob in afhankelijkheid van God. Hij wist eindelijk wat het was om alles los te laten en echt te vertrouwen op God. Hij was vrij!

God wacht ook op jou! Hij wil ook dat jij alles loslaat en echt vertrouwt op God. Dan ben je pas echt vrij!