‘De volgende morgen vroeg zette Jakob de steen die hij als hoofdsteun had gebruikt rechtop, en wijdde hem door er olie over uit te gieten. Hij gaf die plaats de naam Betel.’ Genesis 28:18-19

Jakob is zo onder de indruk van het hele gebeuren dat hij de steen die hij als hoofdkussen gebruikt had, aan God toewijdt. Hij zet de steen rechtovereind als een gedenkteken en giet er olie overheen. Vervolgens noemt hij die plaats Betel. Dat betekent ‘huis van God’.

Het eigenaardige is dat deze geweldige ontmoeting met God Jakob toch nog niet veranderd heeft. Hij laat de steen achter en vergeet de belofte van God. Hij maakt geen gebruik van het aanbod van God. Hij zet God als het ware op non-actief en gaat weer op de oude voet verder.

Hij denkt opnieuw dat hij alles zelf moet regelen in plaats van dat hij zich overgeeft aan God. Hij houdt nog steeds de controle en vertrouwt niet volledig op God. Jakob houdt liever zelf alle touwtjes in handen.

Jakob heeft het grootste gedeelte van zijn leven gevochten en geknokt om datgene te bereiken wat God beloofd had. Zonde, want God had het hem gewoon gegeven als hij op God vertrouwd had. Het resultaat was dat hij best veel bereikte, maar in zijn hele gevecht miste hij de vrede en gemeenschap met God. In plaats daarvan leefde Jakob twintig jaar in angst, onzekerheid en zorg.