‘Toen Rebekka vernam wat haar oudste zoon Esau van plan was, liet ze haar jongste zoon Jakob bij zich komen. ‘Luister,’ zei ze, ‘je broer Esau zint op wraak, hij wil je vermoorden. Doe daarom wat ik zeg, mijn zoon: vlucht onmiddelijk naar mijn broer Laban in Charan.’ Genesis 28:43

Doordat Jakob het heft in eigen handen had genomen, haalde hij een heleboel ellende over zich heen, want toen zijn broer Esau hoorde wat Jakob had gedaan, nam hij zich stellig voor Jakob hierom te doden. Rebekka hoorde dit en hielp Jakob te vluchten naar oom Laban die in Haran woonde. Dat is een tocht van achthonderdvijftig kilometer! Na twee dagen reizen gunde hij zichzelf een nachtrust. Hij was toen in de buurt van de plaats Luz. Hij gebruikte een steen als hoofdkussen en viel in een diepe slaap.

En dan krijgt hij een droom van God. En in die droom geeft God Jakob een veeg uit de pan. Hij zegt: ‘Wat heb je er een potje van gemaakt. Ik had geweldige plannen met je leven, ik had een hoopvolle toekomst voor jou, maar ik heb het helemaal met jou gehad. Je wilt het toch allemaal graag zelf doen? Prima dan, zoek het dan nu ook maar zelf uit!’

Maar nee, zo gaat het niet. Misschien zouden wij dat wel gezegd hebben, maar God niet! Jakob droomde dat hij een ladder op de aarde zag die tot aan de hemel reikte. En hij zag voortdurend engelen langs die ladder omhoogklimmen en afdalen. Ik denk dat God hiermee tegen Jakob wilde zeggen: ‘Zie je niet, Jakob, dat ik voldoende helpers heb om in al jouw behoeften te voorzien? Zie je niet dat je de dromen en plannen die ik voor je heb, niet in eigen kracht in bezit hoeft te nemen?’