Jakob moest leren loslaten

Jakob was één van een tweeling. Zijn moeder was Rebekka en al tijdens haar zwangerschap werd er een profetie over de baby’s uitgesproken. De jongste zou machtiger zijn dan de eerstgeborene. En Jakob was de jongste.
Er lag dus een bestemming op het leven van Jakob, er was een belofte over hem uitgesproken. God had een plan voor zijn leven.
Maar bij de geboorte van de tweeling kwam het probleem van Jakob al openbaar. Esau werd het eerst geboren, maar de kleine baby Jakob hield de hiel van zijn broertje Esau vast. Zo jong al hield Jakob vast in plaats van los te laten. Dat leverde hem ook zijn naam op.

Vaak wordt gezegd dat Jakob ‘bedrieger’ betekent, maar dat is niet helemaal waar. Esau noemde Jakob ‘bedrieger’ omdat het Hebreeuwse woord voor bedrieger qua klank heel erg lijkt op de naam Jakob. Maar de naam Jakob betekent letterlijk: ‘vasthouden’. En die naam is kenmerkend voor het leven van Jakob. Hij had angst om los te laten. Hij vertrouwde God niet, waardoor hij dacht ‘zelf’ de droom die God voor hem had te moeten waarmaken. Jakob nam de dingen zelf in de hand. En Jakob zette de dingen naar zijn hand.

Aangemoedigd door zijn moeder bedroog Jakob zijn iets oudere tweelingbroer, door hem zijn eerstgeboorterecht te ontfutselen in ruil voor een kopje linzensoep. En later werkte hij zich nog dieper in de nesten door ook zijn vader te bedriegen. Hij deed zich met wat slimme trucjes voor als Esau en ontving daardoor de zegen die eigenlijk de eerstgeborene toekwam.

Jakob wilde controle houden. Jakob wilde ‘zelf’ zijn levensverhaal schrijven.