‘Misschien denkt u bij uzelf: Die volken zijn groter dan wij, hoe zouden wij ze kunnen verslaan? Wees niet bang voor hen; bedenk wat de HEER, uw God, de farao en heel Egypte heeft aangedaan. De Heer zal u de overwinning schenken. Deuteronomium 7:17-18 en 23

In het eerste hoofdstuk van het boek Deuteronomium krijgt Israël de opdracht om het beloofde land binnen te trekken en in bezit te nemen. Die zelfde opdracht hadden ze veertig jaar daarvoor ook gehad. De conclusie van het volk was toen echter dat de Kanaänieten te sterk voor hen waren. Het resultaat was dat ze het land niet in bezit namen en veertig jaar in de woestijn moesten doorbrengen. God gaat er in deze nieuwe situatie al vanuit dat ze opnieuw zullen denken dat de vijand te sterk voor hen is. Hij maakt ze daarom nog maar eens goed duidelijk dat hij in hun midden is en dat hij hun de overwinning zal schenken. Hij wil daarmee bereiken dat ze niet op zichzelf gericht zullen zijn, maar op hem: op God.

Wanneer we een opdracht van God krijgen denken we meestal dat we die opdracht op eigen kracht moeten uitvoeren, met alle hulpmiddelen (onze talenten en gaven) waarover wij op dat moment beschikken. We komen dan, net als het volk Israël, vaak tot de conclusie: ‘Dat kan ik niet. Dat is onmogelijk’. Ons probleem is onze zelfgerichtheid. We vergeten, dat wanneer God spreekt, hij altijd laat zien wat HIJ van plan is te doen.

God weet allang dat wij als mens beperkt zijn in onze mogelijkheden. Hij wil dat wij ‘in geloof wandelen’. Het is juist onze onbekwaamheid die ervoor zorgt dat we geloof nodig hebben in een grote God die wèl alles kan. Dan kunnen wij vol vertrouwen zijn opdracht uitvoeren, omdat wij weten dat hij ten uitvoer zal brengen wat hij van plan is.

Mozes zou zelf nooit in staat zijn geweest om het volk Israël te bevrijden uit Egypte, de Rode Zee over te steken of het volk eten en drinken te verschaffen. Mozes moest slechts vertrouwen dat God de dingen zou doen die hij beloofd had. Wanneer God een miljoen mensen wil bevrijden uit slavernij, dan stuurt hij niet een sterk en groot leger, maar een oude man met een stok die niet goed uit zijn woorden kan komen. Waarom? Paulus geeft het antwoord: ‘Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen.’ 1 Korintiërs 1:29

God wil de eer die hem ook rechtmatig toekomt. Hij wil dat wij beseffen dat het zíjn kracht en bekwaamheid is en niet de onze.

Dus als God iets van je vraagt dan heb je niet in de eerste plaats bekwaamheid nodig, maar geloof!