Als Abraham op hoge leeftijd is, roept hij zijn trouwe knecht Eliëzer bij zich. Hij geeft hem opdracht om naar zijn geboorteland te gaan om daar een vrouw voor zijn zoon Isaak te zoeken. Eliëzer gaat op pad. Je ziet dan dat hij voortdurend op God gericht is. Als hij in het land aankomt dan stop hij bij een waterput en dan bidt hij het volgende:

‘Heer, God van mijn heer Abraham, wilt U ervoor zorgen dat ik vandaag het juiste meisje ontmoet. Wees alstublieft goed voor mijn heer Abraham. Ik sta hier bij de waterbron en de meisjes van de stad komen hier nu water halen. Ik zal tegen één van de meisjes zeggen: ‘Wil je mij wat water uit je kruik laten drinken?’ Als ze mij dan antwoordt: ‘Drink, en ik zal ook uw kamelen te drinken geven,’ dan weet ik dat U háár aanwijst als vrouw voor Izaäk. Dan weet ik dat U goed wil zijn voor mijn heer.’ Hij was nog niet eens uitgesproken, toen Rebekka de stad uit kwam met haar kruik op haar schouder.’ Genesis 24:12-15

Als Rebecca dan drinken voor hem haalt, dan staat er: ‘Zwijgend sloeg de man haar gade, terwijl hij zich afvroeg of de Heer hem had doen slagen.’ (vers 21)

Eliëzer was ‘geestelijk’ alert. Hij vroeg zich voortdurend af wat God zei. Hij was Godgericht. Dat had hij trouwens niet van een vreemde. Zijn meester Abraham was daarin voor hem een voorbeeld geweest. Toen Abraham hem de opdracht gaf om een vrouw te zoeken en Eliëzer opperde dat het wellicht niet zou lukken zei Abraham het volgende:

‘De Heer, naar wiens wil ik mij steeds heb gericht, zal zijn engel met je meesturen en ervoor zorgen dat je binnen mijn familie, onder mijn naaste verwanten, een vrouw vindt voor mijn zoon.’ Genesis 24:40

De Heer, naar wiens wil ik mij steeds heb gericht…

Kun jij dat ook zeggen?