In Exodus lezen we het verhaal van Mozes. Hij werd als een zoon aangenomen door de dochter van Farao. Hij groeide op onder ideale omstandigheden. Het eten was goed en gezond. Hij kreeg naar alle waarschijnlijkheid een volmaakte opvoeding en scholing. En dit alles vond plaats in een omgeving van weelde en volkomen veiligheid. In Handelingen 7:22 staat: ‘Mozes werd onderwezen in alle kennis van de Egyptenaren en werd een machtig man in woord en daad.’

Mozes vond zichzelf kennelijk wel geschikt om een goede leider te worden. Hij had wat we noemen een ‘gezond zelfbeeld’, hij wist wie hij was en kende zijn capaciteiten en mogelijkheden.

‘Hij meende dat zijn volksgenoten zouden begrijpen dat God hen door zijn toedoen (NBG ‘door zijn hand’) wilde bevrijden…’ (Handelingen 7:25)

Jammer voor Mozes en ook jammer voor ons, maar God heeft zo zijn eigen gedachten over goede leiders. De ‘ideale’ opleiding aan het hof van Farao was niet voldoende. Mozes werd naar de universiteit van God gestuurd: de woestijn. Dat is de plaats waar je genade leert. Dat is de plaats waar je sterft aan je eigen capaciteiten en mogelijkheden. Daar leer je totaal afhankelijk van God te zijn.

Hooglied beschrijft hoe de bruid, leunend op haar geliefde, uit de woestijn komt. (zie Hooglied 8:5) Je bent niet meer dezelfde, je leunt niet meer op jouw capaciteiten en bekwaamheden, je leunt op je geliefde, je leunt op Jezus! Je bent totaal afhankelijk van hem.

Wat was er over van de zelfbewuste leider Mozes? Hij vroeg of God een ander wilde zenden. Hij zei dat hij niet goed kon spreken. Mozes vond zichzelf niet langer geschikt. (zie Exodus 4:10-13) Maar God was het daarin niet met hem eens. Mozes had zijn woestijndiploma gehaald en was nu juist uitermate geschikt.

Mozes maakte veel tegenwerpingen. Hij twijfelde eraan of God wel door hem heen kon werken, of de Israëlieten wel zouden geloven dat God aan hem was verschenen en of hij genoeg vaardigheden had om de opdracht te vervullen.

Zelfgerichtheid
Ten diepste twijfelde Mozes niet alleen aan zichzelf, maar vooral ook aan God. Hij werd geconfronteerd met een geloofscrisis – is God werkelijk in staat om te doen wat hij zegt? Als wij in een situatie komen waarin God tot ons spreekt, hebben wij geloof nodig om te doen wat hij vraagt. Ons grootste probleem is echter zelfgerichtheid. Wanneer we een opdracht van God krijgen denken we dat we die opdracht in onze eigen kracht moeten uitvoeren, met alle hulpmiddelen (onze talenten en gaven) waarover wij op dat moment beschikken. We komen dan net als Mozes vaak tot de conclusie: ‘Dat kan ik niet. Dat is onmogelijk’.

We vergeten, dat wanneer God spreekt, hij altijd laat zien wat hij van plan is te doen. God weet allang dat wij als mens beperkt zijn in onze mogelijkheden. Hij is de regisseur en welke rol wij mogen spelen is zijn verantwoordelijkheid. Het is juist onze onbekwaamheid die ervoor zorgt dat we geloof nodig hebben in een grote God die wel alles kan. Dan kunnen wij vol vertrouwen zijn opdracht uitvoeren omdat wij weten dat hij ten uitvoer zal brengen wat hij van plan is.

Mozes zou zelf nooit in staat geweest zijn het volk Israël te bevrijden uit Egypte, de Rode Zee over te steken of het volk eten en drinken te verschaffen. Mozes moest wel vertrouwen dat God de dingen zou doen die hij beloofd had.

Wanneer God een miljoen mensen wil bevrijden uit slavernij, dan stuurt hij niet een sterk en groot leger, maar een oude man met een stok die niet goed uit zijn woorden kan komen. Waarom? ‘Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen.’ (1 Korintiërs1:29) God wil de eer die hem ook rechtmatig toekomt. Hij wil dat wij beseffen dat het zijn kracht en bekwaamheid is en niet de onze.

God zal ons in ‘woestijnsituaties’ brengen waarin we deze les leren. Hij wil dat we aan het einde van onze mogelijkheden komen. Daar waar wij onbekwaam zijn, kan God zijn bekwaamheid geven. Daar waar wij zwak zijn, kan God zijn kracht geven. Ik denk dat E. Peterson goed weergeeft wat Jezus bedoelde te zeggen. Hij vertaalt Matteüs 5 vers 3 als volgt: ‘Je bent gezegend wanneer je aan het einde van je touwtje bent. Met minder van jou is er meer van God.’ (The Message)